Buiten ruikt het naar natte aarde. De wolken hebben oranje randjes. Af en toe glijdt een zonnestraal naar beneden. “Kijk Saar, de zon wil graag schijnen,” zeg ik en ik wijs naar de lucht. “Zzzon, zzzon,” zoem ik. “Sj, sj, sj,” doet Saar.
Parket boenen is hard werken. Eerst wrijft Anna met ijzerkrullen de oude boenwas weg, dan smeert ze de nieuwe op de houten vloer. Ze werkt vlug en slaat hier en daar een plank over. “Anna Vuilpoes!” hoort ze haar moeder zeggen.
Het wordt stil in het nieuwe huis. Er klinkt alleen het plenzen van de mortel. Tom en Arne zijn ingespannen bezig. Ze horen niet dat er iemand door het huis loopt. “Wat moet dat hier,” bast opeens een rauwe stem. Van schrik laat Tom een baksteen op zijn tenen vallen.
“Stop,” riep een stem uit de verte. “Stop, stop,” Het klonk als een echo. Van schrik losten de twee hun greep op hun prooi. Joris zocht waar het geluid vandaan kwam. Hij hoorde geborrel en gerinkel. De hele cementen muur was vloeibaar geworden.
De trap van de opkamer kraakt. Grootmoeder komt de keuken binnen met een mand vol kruiden op haar arm. “Het is zover, Lise. Ik moet weg. Het kan laat worden. Als het donker wordt ga je slapen.”